Categorie archief: Persoonlijk

Theatraal concert Sand en Chopin: een ervaring

Sand zelf

Sand


Gisteren, op 1 juli 2018, heb ik in Alkmaar voor de tweede keer mijn voorstelling: ‘Sand en Chopin’ gedaan. Eigenlijk kan ik beter zeggen: voor de eerste keer. Want de officiële try-out van 8 april in de Zuidhal van het Vierwindenhuis is zodanig veranderd, dat het een vernieuwde voorstelling is geworden. Er zijn meer stukken bijgekomen, de tekst staat nu vast -er is een script- en ik word sinds die tijd geadviseerd door een heuse regisseuse. Zij geeft mij erg goede adviezen, vind ik! Ik weet niet zeker of ze wil dat ik haar naam noem op het web, dus dat doe ik nog even niet. De voorstelling is er enorm door gegroeid (al zeg ik het zelf). De nieuwe vorm waarin ik het gister deed, heeft me wel wat bloed, zweet en tranen gekost. Ook het uit het hoofd leren van een script viel me behoorlijk tegen: ik heb al sinds de middelbare school niet zoveel tekst in mijn hoofd hoeven hebben. En dan heb ik het nog wel zelf bedacht, met enkele aanpassingen van de regisseuse. Het is een solo voorstelling, een one woman show, dus ik ben de hele tijd ‘aan de beurt’. Het is ongeveer een half uur tekst, en een half uur muziek. Als ik aan het woord ben, speel ik de rol van George Sand, de Franse schrijfster die bijna tien jaar een relatie met Chopin heeft gehad. In de voorstelling kies ik geen partij voor Sand of Chopin. Er zijn natuurlijk mensen die vinden dat Sand de componist Chopin slecht heeft behandeld, zelfs zijn dood heeft veroorzaakt. Maar in deze voorstelling wordt dit beeld wat minder ‘gekleurd’: Chopin zelf was ook niet de makkelijkste, wordt langzamerhand duidelijk. Al schreef hij dan ook wonderschone muziek. De voorstelling zoals hij nu is, is een echte familievoorstelling. Het is niet persé een kindervoorstelling, maar er zitten genoeg verrassingen en grapjes in om het voor kinderen ook aantrekkelijk te maken. Er is nu een plan om nog een versie te maken voor alleen volwassenen, want met enkele aanpassingen kan dit heel makkelijk.

Heleen als Sand

Heleen als Sand

Mensen die mij wat beter kennen, weten dat ik al vrij lang aan hevige plankenkoorts lijd. Ik kan je vertellen dat mij dit nog steeds parten speelt, al heb ik het idee dat ik mijn zenuwen iets beter onder controle heb, tegenwoordig. Evengoed is deze voorstelling voor mij een enorme uitdaging, want wanneer alleen piano spelen al eng is, dan kan ik je vertellen dat acteren én piano spelen (en soms ook nog tegelijk en door elkaar) nog veel enger is. Ik was vooraf letterlijk ‘als de dood’. Zoals ik het gister verwoordde: het leek op een geestelijke vorm van bungy-jumpen. Maar het mooie is (schijnt ook bij bungy-jumpen te zijn) dat je je daarna zó goed kan voelen! In dit geval ook: ik kan niet wachten om de voorstelling nog een keer te doen. Er gingen vast wel dingen mis (weet ik nog vaag) en hier en daar was ik even op zoek naar mijn tekst, maar ik voelde me Sand.
Een paar mooie momenten:

- Als (ik) Sand zegt: “Hebben jullie wel eens heimwee? Je bent bv op schoolkamp en je weet dat je pas vier dagen later weer thuisbent.” Op dat moment zie ik een moeder en een veertienjarige dochter hevig knikken. Het meisje blijkt morgen vier dagen op schoolkamp te gaan.
- Als Sand (boos) zegt: “Ik wil graag even een misverstand ophelderen” zie ik iemand in de zaal bijna van schrik van zijn stoel vallen. (Blijkbaar overtuigend boos gespeeld!)
- Bij alle vragen die Sand stelt aan het publiek, wordt hevig geknikt.. Ik voel echt contact met het publiek
- Na afloop om me heen horen dat het zo ‘verrassend’ was..
- Ook mooi: “Ik hou eigenlijk niet zo van de muziek van Chopin, maar in deze setting heb ik er erg van genoten!”
- “Ik snap nu veel beter waar de muziek over gaat..”
- “Ik vond jouw eigen stuk in de geest van Chopin zo mooi! En dan die vogeltjes erdoorheen..”
- De glunderende gezichten na afloop.

Het concert vond plaats in de Studio van Elke Piano in Alkmaar. In deze studio staat een vleugel. Overigens: de regisseuse was er gister ook bij! Heel fijn was dat.
Het mooie van dit theatrale concert is, dat er weinig voor nodig is.. Alleen een piano/vleugel, een kostuum, enkele attributen zoals een speeldoosje en vogelfluitjes. En een enthousiast publiek. Het kan overal gespeeld worden waar een piano staat.
Gister was hopelijk het begin van een lange reeks uitvoeringen!

Bezoek aan een vijfentachtigjarige..

(..in het Flevohuis te Amsterdam.)
Bij binnenkomst valt mij de mooie vijver in de binnentuin op, met waterlelies en grote karpers. Een oase van rust.

Vijver in binnentuin Flevohuis

Vijver in binnentuin Flevohuis

De lift brengt mij naar de tweede etage. Er hangen hier en daar A-viertjes met de tekst: Noro-virus. Dat was vorige keer ook, maar toen ik er naar vroeg bleek het van twee weken daarvoor te zijn. Oude informatie. Ik vraag aan één van de verzorgsters waar Hans is -ik zie hem niet in zijn kamer- en of ze een vaas heeft voor de pioenrozen die ik heb meegebracht. Ze brengt me naar een soort keukentje. Daar is wel een vaas, maar geen mes om de puntjes mee af te snijden, dat ligt elders. Elders blijkt aan het eind van een lange gang: er ligt slechts één vervaarlijk uitziend mes in de la, maar je kunt er nog geen boter mee snijden. Ik volhard in mijn poging om de puntjes van de pioenrozen eraf te snijden, wat slechts gedeeltelijk lukt omdat het mes echt heel erg bot is. Nou ja, dan maar wat minder puntjes. Hopelijk komen de rozen toch wel uit. Ze staan in ieder geval prachtig in de vaas. Daarna moet ik het mes weer terugbrengen naar de plek waar ik het vandaan heb. Ik ben me er zeer van bewust dat ik met een enorm lang mes in mijn hand door een vreemde gang in een tehuis loop, terwijl ik niet eens een medewerker ben .. het is maar goed dat ik geen man ben, denk ik .. en er blijkbaar onschuldig genoeg uitzie.
Ik vul de vaas met water en loop met de verzorgster mee naar de kamer van Hans. Hij blijkt een andere kamer te hebben dan de vorige keer. Daar zit hij. In een rolstoel voor het raam. Hij is afgevallen.
Als hij me ziet, kijkt hij verheugd.
“Mag je hier wel komen?” vraag hij. “Hoezo niet, dan?” vraag ik. “Nou, ik schijn een virus te hebben.” Ik kijk naar een A-viertje op de deur. Inderdaad, daar staat het: “Contact isolatie in verband met het Noro-virus.” “Ik ga het even checken, Hans!” zeg ik terwijl ik de bloemen op zijn tafeltje zet dat vol ligt met puzzelboeken en twee onaangeroerde boterhammen en twee kopjes thee. Ik probeer iemand te vinden van het personeel. Intussen zie ik allemaal oudjes gezellig met elkaar koffiedrinken in een soort recreatieruimte. “Klopt het dat Hans een virus heeft?” vraag ik aan iemand in de keuken. “Hans, Hans.. wat is zijn achternaam?” “Verhoef,” zeg ik. “Ja, meneer Verhoef heeft een virus. Daarom zit hij geïsoleerd.” “Maar mag ik dan wel bij hem komen?” “Dat kan wel, maar dan moet u goed uw handen wassen na afloop en niet te dicht in de buurt komen.”
Nadat ik van de verbazing ben bekomen, ga terug naar de kamer. Ik besluit op afstand van hem te blijven en niets en niemand aan te raken, alsmede mijn handen goed te wassen na afloop. Hans vindt het erg fijn dat ik er ben. Hij staart naar de boterhammen die voor hem liggen. “Hier zit ik nu de hele dag,” zegt hij. “Iets anders kan ik niet. Dus wat moet ik? Ik kijk uit het raam. Hier is een kruispunt, daar komt veel langs. Maar verder zie ik niemand.” Ik kijk naar het bord met eten dat voor hem staat. “Maar dit hebben ze je wel gebracht, Hans.. maken ze dan niet even een praatje me je?” “Het dienblad wordt voor je neergezet en dan gaan ze weer. Vandaag zit ik hier tot zeven uur. Daarna wordt ik in bed gelegd. Elke dag, wekenlang. Maar ik ga de dertiende naar huis. Dat is zeker.”
Ik vraag me af of, en hoe dat moet gebeuren.. hij kan niet zelf vanuit zijn rolstoel in zijn bed komen. Er komt een speciale lift bij te pas.. kan je zo’n lift in je huis krijgen? Met een thuiszorger erbij? Vragen voor later. Ik zie dat hij zichtbaar geniet van de gedachte weer naar huis te kunnen. Hoop doet leven. Dat is nu het belangrijkste. Ik wijs op het apparaatje om zijn hals in de vorm van een ketting met een drukknop. “Moet je daarop drukken als je naar de wc moet?” “Als er wat uitmoet, dan druk ik daarop,” zegt Hans. “En dan komen ze.” We zwijgen. “Heb je eigenlijk last van dat virus?” vraag ik. “Helemaal niet..” zegt Hans. Ik vraag me af wat dit virus dan wel inhoudt?
“Er is hier een mooie binnentuin,” zeg ik. “Met een vijver met enorme karpers. En kippen. Ben je daar al eens geweest?” “Nog niet,” zegt Hans, “en nu kan het niet omdat ik deze kamer niet uitmag.” “Als je weer beter bent, rijd ik je ernaar toe,” zeg ik.
“Hoe vermaak je je hier, kijk je wel eens televisie?” “Soms, maar ik kan het geluid niet goed horen, dus ik kijk alleen naar dingen waar letters bijstaan.” “Zou je misschien wat meer te lezen willen hebben?” vraag ik. “Tijdschriften, een krant?” Hans knikt. “Ja, ik hou wel van lezen,” zegt hij. “Maar een krant krijg ik hier niet. En tijdschriften ook niet.” “Die neem ik voor je mee, de volgende keer,” zeg ik. Kleine moeite, lijkt me.
Ik kijk naar de boterhammen die na drie kwartier nog steeds voor hem liggen. “Moet je niet eens wat eten, Hans? Het is al bijna lunchtijd. En je thee, lust je die niet?”
“Ik zou wel eens een borrel lusten,” zegt Hans, “dat krijg je hier ook niet.” Ineens dringt het tot me door dat er hier in het Flevohuis geen restaurant is, zoals in het Eduard Douwes Dekkerhuis, waar mijn vader, Joop, de laatste maanden van zijn leven sleet. Toen Joop daar zat, kocht ik soms een biertje voor hem.. Of ik nam het mee, daar deden ze niet moeilijk over. Maar hier is het volgens mij strenger. Zou het wel mogen? Ik kan het natuurlijk ook een keer vragen. Maar volgens mij hebben ze te weinig personeel om erop te letten. Ik neem me voor de volgende keer een borrel voor Hans mee te nemen. Een borreltje op zijn tijd, voor een 85-jarige, kan toch geen kwaad? Misschien leeft hij dan weer een beetje op. Ik vertel hem over mijn plan. Even glanzen zijn ogen, maar dan zegt hij: “ik weet niet of dat wel mag.” “Hans, ze hoeven het niet eens door te hebben. Ik neem een klein heupflesje mee, dan schenk ik jou een glas in -het kan zelfs in een waterglas- en ze zien niet het verschil tussen water en jenever. Ik zie een twinkeling in zijn ogen. “Misschien ruiken ze het,” zegt hij. “Welnee, daarna geef ik je een Fishermans Friend, dan ruiken ze niks,” zegt ik. “Trouwens: je drinkt toch niet de hele fles leeg? En anders geef je mij maar de schuld.” We kijken elkaar samenzweerderig aan.
Ineens valt hij aan op de boterhammen. Binnen vijf minuten zijn ze alsnog weggewerkt, alsmede twee koppen thee en een bekertje met medicijnen. “Goed zo, Hans,” denk ik, “that’s the spirit.” Nadat hij is uitgegeten, zegt hij:
“Jeroen is al een tijd niet geweest. En Nikki ook niet. Tja, ik kan ze niet dwingen om te komen.” Hij krijgt een treurige blik in zijn ogen. “Als ze niet willen, dan komen ze niet.” Het is even stil. Ik weet niet wat ik moet zeggen.
Dan ineens, op verheugde toon: “Ik ben binnenkort jarig. Ik hoop dat ze dan wel komen. Ik zorg voor taartjes.”
“Dan komen ze zeker, Hans,” hoor ik mijzelf zeggen, “dat móet!”

Hans woonde tot de dood van mijn moeder bij haar.. mijn ouders waren al lang geleden gescheiden.

Leven

Leven

O, dít is het, om te leven..
Een grasspriet te zien wuiven,
dansende ganzen in de wei,
vluchtig waaiende wolken
boven oeverloos water:
de zon te zien ondergaan.
Eerder je ogen uit je kop gehuild
omdat een collega gemene dingen zei;
maar zonder dat geen
trage discussies
met mooie wendingen,
kloven die bruggen worden
of andersom.
Ja, je kat zeurt ’s ochtends
om brokjes en aandacht.
Zonder dat geen
liefdevolle aandacht voor het moment:
een hand op haar staart,
de zachte poezenvacht,
visluchtje uit haar bek.
Een goede vriendin
rustig naar haar kijken
terwijl ze sterft
het leven voorbijtrekt.
Hoe om te gaan met verdriet
dat nooit echt overgaat,
dat verandert, meandert, transparandert:
af en toe een steek,
dan verder maar.
Veel keuze is er niet.

Kattenkots op het tapijt:
het leven zit vol
verrassingen.

Heleen Verleur

Sand & Chopin (improvisatie)

Aanstaande zondag 8 april 2018 om 12 uur speel ik de voorstelling Sand & Chopin, een ‘one woman show’. Eigenlijk probeer ik hiermee mijn podiumangst te overwinnen, door iets te doen wat nog veel enger is dan alleen piano spelen: een rol spelen (de rol van schrijfster George Sand) én piano spelen (muziek van de componist Chopin). Verder wordt het publiek er hier en daar bij betrokken (alleen in het nette) zoals bij het spelen van een ééntonige compositie..
Ik hoop dat dit het begin is van een voorstelling die zich nog verder gaat ontwikkelen. Een voorstelling voor muziekleerlingen, scholen, kleine theaters enz. As zondag wil ik ervaren hoe het is om stukken te spelen, maar ook tussendoor dingen te vertellen. Bij het vertellen houd ik mij niet precies aan een tekst, al is er wel een rode draad en leef ik mij helemaal in.. Tegelijk is er ruimte voor spontane invallen. Het is echt een experiment, en ik vind het heeeeeeeeel spannend!
Ik ga er wel een feest van maken! :-) Als je nog wilt komen proeven van deze nieuwe voorstelling, meld je dan even aan via heleen.verleur@xs4all.nl. Liever niet onverwachts komen, want dan heb je kans dat er geen stoelen meer zijn!
Locatie: Vierwindenhuis/Zuidhal, Windroosplein
Tijd: tussen 12 en 13 (lunchpauze voorstelling)
Leeftijd: voor alle volwassenen vanaf 7 jaar

Poster concert

Poster concert

Intuïtie

Intuïtie

Hoe komt het dat je soms heel sterk het gevoel kunt hebben dat je iets niet of juist wél moet doen. Je hebt er geen bewijzen voor, maar je weet op één of andere manier dat je beter niet deze trein maar de volgende kunt nemen. Er waren mensen die op elf september niet gingen werken in het World Trade Center in New York. Of iemand kijkt even omhoog en plotseling valt een emmer naar beneden zodat hij nog net een stap opzij kan doen. Bovengenoemde voorbeelden zijn allebei direct te “bewijzen”. Er vlogen bij het WTC die dag helaas vliegtuigen naar binnen. Er wás een emmer.. Maar soms is het lasti-ger om aan te tonen en je moet erg oppassen dat je omgeving je serieus blijft nemen. Sommige mensen worden er wat lacherig van. Ook is het belangrijk jezelf goed te blijven waarnemen, want in hoe-verre speelt je ego hierbij een rol? Het zou kunnen zijn dat je iets “ziet” aankomen omdat het jou toevallig goed uitkomt. Hoe dat bij jezelf zit kan alleen jij weten, door bijvoorbeeld te mediteren, de gedachten die langskomen te observeren en te checken. Zelf vind ik het moeilijk om een voorbeeld te geven van iets waarbij mijn intuïtie een belangrijke rol speelde, omdat het zich bijna op een ander niveau afspeelt. Ik zou niet kunnen zeggen waarom ik op internet nu juist bij die website van een centrum terechtkom waarbij ik een cursus ga doen die mijn leven een andere wending geeft. Je zou je kunnen afvragen of ik dat bij een ander centrum niet ook zou hebben gehad. Ik denk van niet, hoewel ik het niet kan bewijzen.. Ondanks het grote aanbod van allerlei cursussen, kwam ik juist bij deze uit en het was precies wat ik zocht.
Er zijn mensen die vinden dat je alles met logica en nuchter verstand moet beredeneren. Logica en verstand zijn belangrijk, maar ik denk dat de rol van deze vaardigheden soms wordt overschat. Voor mijn gevoel speelt intuïtie, of gevoel, een even belangrijke rol als verstand. Overigens: juist geniale wetenschappers, zoals Einstein en Newton, voeren voor een deel op intuïtie. Ik durf te wedden dat ook natuur-kundige Robbert Dijkgraaf zijn intuïtie gebruikt om tot bepaalde op-lossingen te komen. Beeldend kunstenaars en musici, en de meeste andere kunstenaars, zetten tijdens het creatieve proces voornamelijk hun rechterhersenhelft in. De linkerhersenhelft, de cognitieve, speelt dan de rol van observator die achteraf checkt of het wel “klopt” wat de andere heeft bedacht. Het is heilzaam om allebei je helften te ge-bruiken. Dat doe je bijvoorbeeld bij piano spelen. Helaas wordt er op veel scholen vooral de nadruk gelegd op de linkerhelft. Het denken wordt belangrijker geacht dan het “voelen” of de intuïtie.
Een postduif heeft geen routeplanner om op zijn adres van bestem-ming te komen. Hij voelt intuïtief aan hoe hij weer thuis kan komen. Overigens wordt van steeds meer dieren vastgesteld dat ze kunnen “plannen”. Plannen is een eigenschap die meestal aan mensen wordt toegeschreven. Maar ook sommige apen en zelfs vogels schijnen al te kunnen denken over morgen. Is dit nu denken of voelen? Ik zou die hele tegenstelling willen opheffen: laten we afspreken dat we voor-taan voelen met ons hoofd en denken met ons hart.

Deze column komt het uit boekje ‘Perseïden’ (Vallende sterren) te bestellen via heleen.verleur@xs4all.nl

Perseïden cover

Perseïden cover

Flow

Dit is een samenvatting van de lezing over ‘Flow’ die ik hield op vrijdag 29 september 2017 in de Boomsspijker voor ouders en docenten.

Flow is een mentale toestand waarin een persoon volledig opgaat in zijn of haar bezigheden, met volledige betrokkenheid. In het gelijknamig boek ‘Flow’ van de Hongaarse psycholoog Mihaly Csikzentmihalyi (universiteit Chicago) omschrijven enkele mensen die werden geïnterviewd het als een “stroom die hen meevoerde”, vandaar het woord ‘flow’.

Flow wordt vaak geassocieerd met het streven om een bepaald doel te bereiken, zoals het schilderen van een schilderij of het bespelen van een instrument. Maar het geldt eigenlijk voor alle taken, mits genoeg uitdagend. In de staat van ‘flow’ kunnen mensen boven zichzelf uitstijgen en sneller leren en nieuwe inzichten krijgen.

Voorbeelden van flow zijn te vinden in bijvoorbeeld het Boeddhisme en het Taoïsme. Ook sporters kennen flow uit eigen ervaring, bv als ze een wedstrijd spelen tegen iemand die het uiterste van hem vergt.

Het begrip ‘flow’ is sterk verbonden met de persoonlijke ontwikkeling en misschien ook wel het karakter van een leerling. Een taak die op een bepaald moment uitdagend is en ‘flow’ teweeg kan brengen, loopt het gevaar routinewerk te worden naarmate kennis en ervaring toenemen. Dit verschijnsel kent elke Suzuki-docent en Suzuki-ouder waarschijnlijk wel: als een leerling een stuk te vaak op dezelfde manier gespeeld heeft, verliest het kind zijn interesse. De vraag is hoe je toch deze focus kunt behouden. Een vraag die ik met behulp van de ideeën van Csikzentmihalyi ga proberen te beantwoorden.

Flow heeft een aantal kenmerken:

1.er is een duidelijk doel
2.er is concentratie en doelgerichtheid die leidt tot helderheid
3.er is verlies van zelfbewustzijn: men gaat volledig op in de activiteit en vergeet zichzelf
4.verlies van tijdsbesef: de tijd vliegt voorbij, je voelt je deel van iets groters
5.directe feedback: succes en falen ten aanzien van de activiteit zijn onmiddellijk duidelijk, zodat men daarop het eigen handelen direct kan aanpassen. Je weet dat wat je moet doen, moeilijk is, maar mogelijk
6.er is evenwicht tussen de eigen vaardigheid en de uit te voeren activiteit: de bezigheden zijn heel uitdagend echter nét niet te moeilijk om met succes uit te voeren
7.een gevoel van persoonlijke controle over de situatie of activiteit
8.de activiteit is intrinsiek belonend, bijvoorbeeld erg leuk. Als de omstandigheden zo zijn, dan wordt wat je aan het doen bent, waardevol op zichzelf, dus niet in dienst van een hoger doel..

En last but not least: tijdens de flow ervaring is er een gevoel van vrijheid: men is bijvoorbeeld niet bang om fouten te maken.
Zoals Csikzentmihalyi het zegt:
“There is freedom from worry about failure”.

Als musicus, én als muziekdocent, vind ik het ervaren van flow een verrijking.
Als musicus: tijdens al die uren van studie waren en zijn voor mij een doel op zich. Tijdens het oefenen kijk ik bijna nooit op de klok, omdat het oefenen als bezigheid op zich, voor mij al voelen als zeer belonend. Het eindresultaat van ‘het kunnen spelen’ van het stuk is voor mij niet het belangrijkste. Het oefenen zelf is heerlijk om te doen.
Als muziekdocent: de belangrijke ontdekking van de professor met de lange achternaam is, dat mensen geluk ervaren als ze in flow zijn. Maar je kunt het wel een handje helpen: mede door het kiezen van de juiste stukken, op het juiste moment, met de juiste begeleiding kan deze ervaring (spontaan) optreden. Flow laat zich dus toch niet afdwingen. Wie wil er nu niet dat zijn leerlingen geluk ervaren bij het studeren? ;-)

Ik kan me herinneren dat ik op het conservatorium zat en een veel te moeilijk stuk wilde leren spelen. Maar het was net haalbaar. Ik heb er weken aan één stuk door op gestudeerd, daarna was iedereen perplex dat ik het kon spelen. Hiervan ging uiteindelijk mijn niveau van spelen enorm omhoog, omdat ik me nadat ik me hieraan had opgetrokken, ineens wist dat ik ook andere moeilijke stukken zou kunnen spelen, mits ik hier genoeg indook. En ik had blijkbaar, vanuit mezelf, het intuïtieve gevoel dat het haalbaar was.
Het klopt met de theorie van Csiksentmihalyi, dat mensen in de staat van ‘flow’ boven zichzelf uitstijgen en sneller leren en nieuwe inzichten krijgen. Dit heb ik toen aan den lijve ondervonden.

Nog steeds raak ik niet makkelijk in flow van dingen waarvan ik meteen aanvoel dat ik ze na een beetje oefenen meteen wel zal kunnen spelen. Ik voel dan als het ware niet voldoende uitdaging.
Volgens Csiksentmihalyi ziet het er zo uit (ik vertaal even de woorden uit de tabel):

Anxiety = angst
Worry = bezorgdheid
Apathie = apathie
Boredom = verveling
Relaxation = ontspanning
Control = controle
Arousal = opwinding
Challenges = uitdaging
Skills = vaardigheden

Tabel 'Flow'

Tabel ‘Flow’

————————SKILLS——————
(Onder deze tabel moet staan ‘Skills’ met een pijl van laag naar hoog.)

Dit zal voor ieder kind anders zijn: als je naar de tabel kijkt, dan denk ik dat het kind dat vooral in het blokje van angst, bezorgdheid of apathie zal zitten, moeilijker in flow zal komen. Maar om het op muziekgebied te voelen, lijkt het me toch belangrijk dat je je voldoende aangetrokken voelt tot een bepaald stuk. In de Suzuki methode zullen af en toe stukken zitten waartoe je kind zich minder aangetrokken voelt. Het is wel wijsheid om dan te zeggen: ok, misschien hoef je dit stuk niet leuk te vinden, als je maar weet dat je er veel van gaat leren, en het gaat je helpen om een ander stuk te leren spelen wat je helemaal geweldig vindt! En dan vervolgens te zoeken naar zo’n stuk wat het kind geweldig vindt. Ik had laatst een leerlinge die eind boek 2 zit, zij is nu 14 jaar. Ik gaf haar een stuk van Philip Glass: Metamorfosen. In het stuk zitten zeer snelle zestiende triolen passages die bladzijden lang doorgaan. Ze had dit nog niet eerder gehad. Maar ze hield pas op toen ze het kon. Haar omgeving regeerde verbaasd. Ze dachten dat er een cd opstond. Ik denk dat zij in flow was toen ze het oefende. Mijn les hieruit was, om haar af en toe zo’n stuk te geven. Niet in plaats van de Suzuki-stukken, maar aanvullend. Mijn persoonlijke overtuiging is namelijk, dat je je aan je flow kunt ‘optrekken.’ Als je dit gevoel eenmaal kent, wil je dat graag weer opnieuw ervaren. Want het is zoveel fijner dat oefenen omdat je moet oefenen!

Hoe deed professor Csikszentmihalyi eigenlijk zijn onderzoek? Hij onderzocht samen met collega’s meer dan 8000 mensen met verschillende beroepen: Dominicaanse monniken, Himalyaanse klimmers, Navajo-herders: allen mensen die van hun werk genieten. Deze mensen kregen allemaal een pieper die ongeveer tien keer per dag afging. Als hij afgaat, zeg je wat je aan het doen bent, hoe je je voelt, waar je bent, wat je denkt. De twee dingen die gemeten worden zijn: de grootte van de uitdaging die mensen op dat moment ervaren, en de grootte van hun vaardigheden. Voor ieder mens kan dus een soort gemiddelde berekend worden, dat het middelpunt is van het diagram. Dat is je gemiddelde niveau van uitdaging en vaardigheid. Voor iedereen is dit anders. Maar je hebt een soort vaststaand punt in het midden. Als Csikszentmihalyi dit punt weet, kan hij vrij precies voorspellen wanneer je in flow bent. Dat is wanneer je uitdagingen hoger dan gemiddeld zijn en je vaardigheden hoger dan gemiddeld. Je komt in dit gebied als je iets doet wat je heel leuk vindt om te doen.
Waar je voor flow zou moeten zitten in de tabel, is bij:

- Arousel (opwinding) is altijd goed omdat je dan wordt uitgedaagd om iets te doen wat je nog niet kan. Je vaardigheden zijn dan nog niet zo ver dat je het kunt, maar je kunt je vrij gemakkelijk naar het flowgebied bewegen door vaardigheden te ontwikkelen. Dus opgewondenheid is het gebied waar mensen het meest van leren, want dan worden ze buiten hun comfortzone geduwd, en ontwikkelen ze meer vaardigheden.
- Control is ook een goede plek, want daar voel je je op je gemak, maar zonder de opwinding. Het is niet meer erg uitdagend. Als je vanuit controle naar flow wil, moet je uitdaging verhogen. Dus dat zijn twee ideale complementaire gebieden van waaruit je gemakkelijk in het flow gebied kunt komen. .

Vanuit de andere gebieden kun je minder makkelijk in flow komen:
- Ontspanning is goed: je voelt je nog steeds goed
- Verveling begint echt vermijdend te worden
- Apathie is echt zeer negatief: je hebt niet het gevoel dat je iets aan het doen bent, je gebruikt je vaardigheden niet, je hebt geen uitdaging.

Helaas begeven volgens Csikszentmihalyi veel mensen zich in dit apathische gebied: door televisie te kijken of op hun telefoon te zitten appen. Hoewel je soms bij het tv kijken ook 7 tot 8% in flow kunt zijn, dit is vooral als je een programma kiest dat je heel graag wilt zien, en waarvan je feedback krijgt.
Hoe kun je in het alledaagse leven meer in flow komen? En: in de muziekles?
Deze vraag zou ik graag aan alle docenten en ouders stellen. Want het is duidelijk dat sommige mensen uit zichzelf aanvoelen hoe daarin te komen, maar het is heel lastig uit te leggen.

Voor ons musici, ouders en muziekdocenten is het interessant om te kijken hoe je als docent en ouder het oefenen van een muziekstuk zodanig kunt begeleiden dat het kind ervan in ‘flow’ kan raken. Uiteindelijk is het doel dat het kind zélf naar uitdaging zoekt en hiermee een nieuwe taak vindt die ‘flow’ teweeg kan brengen. Dan wordt je iemand die constant zelf op zoek is naar nieuwe doelen of uitdagingen. Daar bestaat zelfs een woord voor: een ‘autotelische persoonlijkheid’ (van het Griekse autos (zelf) en telos (doel)). Wanneer een doel is bereikt of een taak niet langer als uitdagend wordt beschouwd, zal een autotelisch persoon zelf op zoek gaan naar een nieuwe uitdaging.

Autotelische personen zijn zelf constant op zoek naar nieuwe uitdagingen en geneigd om taken goed te presteren omdat ze ‘flow’ bereiken. Hier zit echter ook een keerzijde aan, daar ze de neiging kunnen vertonen de minder uitdagen taken te verwaarlozen. Bovendien zullen ze, wanneer ze te weinig uitdaging krijgen, gedemotiveerd raken en geneigd zijn te stoppen en het elders te zoeken..

Ik denk zelf dat kinderen eerder in een staat van flow komen naarmate ze zichzelf nieuwe uitdagingen kunnen stellen. De grote uitdaging is bij een oud stuk weer opnieuw in flow kunnen komen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door er op een heel andere manier naar te kijken. Door het in een andere toonsoort te spelen. Door erop te improviseren. Door erop te dansen. Door trillers toe te voegen. Door het voor te spelen voor je vrienden. Door het samen te spelen: want dit samen ervaren is een fantastisch gevoel!

Heleen Verleur