Grote Beer, Kat & Hond

Kat hoorde het van Uil, een ver familielid, op een doordeweekse dag in augustus.

“Maar wanneer is Kleine Beer dan overleden?” vroeg Kat. “Dat kan ik je helaas niet vertellen,” zei Uil.

“Maar dood moet je toch altíjd vertellen?” vroeg Kat.

“Dat vind jij, maar misschien is het voor Grote Beer anders,” antwoordde Uil. Ze zat op een tak en wiebelde van haar ene pootje naar haar andere.

Kat zat als versteend. Kat had al een tijd niet gesproken met haar zus, Grote Beer. Kat had geen idee, dat Kleine Beer dood zou gaan. Sinds Kat zich kon herinneren, woonde Kleine Beer met zijn ouders en broertje op dezelfde plek. Kleine Beer had ook een vrouw en een zoon, ver weg, maar door omstandigheden zag hij zijn vrouw en zoon bijna niet meer. Dat was heel verdrietig, zowel voor hem als voor Grote Beer, die zó trots was op haar kleinzoon!

Een paar jaar later verhuisde de familie naar een hoge flat. Kleine Beer bleef bij zijn ouders en broertje wonen, hoewel hij nog vaak dacht aan zijn vrouw en zoon in het verre buitenland.

Het leek of Kat de schuld was van alles wat er eerder was mis gegaan. Want ineens werd de hele familie Beer boos op Kat.

Vooral Beer was boos. Maar ook haar echtgenoot en Kleine Beer en zijn broertje lieten niets horen. Kat wist niet waarom. Ze kreeg wel elk jaar een verjaardagkaart, en ook een kerstkaart, van Beer en familie. Maar daar stond alleen op: “Prettige Kerstdagen.” Kat zocht op FB contact met Kleine Beer, maar ze kreeg geen reactie.

Op een zeker moment maakte Grote Beer aan Kat duidelijk dat ze geen contact meer wilde. Kat vroeg haar naar de reden. “Denk daar zelf nog maar eens goed over na!” beet Beer haar toe. Kat stuurde zowel mails, apps als een brief naar Beer. Maar Beer antwoordde niet.

Grote Beer bleef boos. Dit duurde ongeveer drie jaar. Intussen hoorde Kat dat het met Kleine Beer niet goed ging. Hij was ernstig ziek. Kat ging op bezoek bij Kleine Beer, in het ziekenhuis. Hij was net geopereerd. Een jaar later ging ze nog een keer op bezoek bij hem thuis. Grote Beer deed toen eerst alsof ze Kat niet hoorde en zag. Langzaamaan ontdooide ze een beetje. Kleine Beer leek blij te zijn met het bezoek van Kat. Maar Kat wist het niet zeker. Bij Kleine Beer kon je niet weten of hij het fijn vond om je te zien. Hij liet het niet zo blijken.

Kat vond het nog steeds moeilijk te begrijpen. Hoe Kat ook peinsde, ze wist niet wat ze verkeerd had gedaan. Voelde Grote Beer misschien al eerder wrok over het verleden? En had ze daar nooit iets over gezegd? Had Grote Beer alles opgespaard?

Kat vroeg het aan Hond. Hond was haar andere zus, waarmee ze sinds kort weer telefonisch contact had. Hond had al langer geleden afstand genomen van de hele familie, maar was sinds kort weer benaderbaar.

Kat vroeg Hond of zij misschien wist waarom Grote Beer boos was. “Ach, Kat,” zei Hond, “jullie zijn zó verschillend! Ik snap jou, maar ik snap ook Beer. Jullie begrijpen dingen soms anders. Of ik begrijp, dat jullie soms dingen anders snappen.”

“Maar dat is toch niet zo erg?” zei Kat, “ik vind het eigenlijk wel leuk, dat we niet hetzelfde denken over dingen. Andere inzichten verbreden je horizon!”

“Nou ja,” antwoordde Hond. “Grote Beer wil natuurlijk wel best graag, dat je het met haar eens bent.” En zij kauwde daarna peinzend op haar voorpoot.

“Maar het is toch niet zo, dat ik het met haar oneens ben, als ik er anders over denk?” stamelde Kat.

Hond trok haar wenkbrauwen op. “Kat, voor jou is dat zo, maar voor Beer misschien niet!”

“Maar wat moet ik nu doen, ik vind het zo erg van Kleine Beer! Ik wilde naar hem toe, maar ik vond het zo moeilijk omdat ik niet wist of ik welkom was! En ik kon toch niet weten, dat hij voorgoed weg zou gaan!”

“Je kon het niet weten,” zei Hond, “en daar kun je nu niets meer aan doen. Ga door met leven. Laat het los! “

Naschrift:

Onlangs heb ik in mijn familie iets meegemaakt wat heel moeilijk te verwerken was. Ik wist me gewoon geen raad met mijn emoties. Het was gewoon genade, dat ik plotseling dacht: “ik ga het op papier zetten”, maar vooral ook, dat ik in plaats van de personen te noemen, van elk personage een dier maakte. Zoiets als in de verhalen van Toon Tellegen. Het werd een sprookje, of, als je het zo wilt noemen: een fabel, zoals Reinaert De Vos (zonder het niveau te willen vergelijken ;)). Iets in mij, koos voor de dieren Beer, Kat en Hond. En er kwam ook even een Uil in voor. Alleen al het schrijven heeft mij hierbij zó geholpen. Het was als zo’n sneeuwbol die geschud werd: toen ik het had geschreven, werd ineens alles een stuk rustiger in mijn hoofd en lichaam.

Alleen al door van een mens een dier te maken, wordt alles anders. Je kunt er dan als het ware iets ruimtelijker, van een afstandje naar kijken. Bijvoorbeeld al: hoe bepaal je wie in jouw verhaal welk dier is? Ook het dier dat je kiest, zegt iets over hoe jij de persoon ziet. Zoals ik tegen een goede vriendin zei: het is een manier om dingen te kunnen voelen zonder dat het met je op de loop gaat.